Bewegings- en ontwikkelingssuggesties voor ouders

Enerzijds kunnen er situaties gecreŽerd worden, waarbinnen het kind geconfronteerd wordt met ontwikkelingsvaardigheden die aansluiten bij zijn ontwikkelingsniveau.
Bij het jonge kind moet men dat meer zien in het kader van sturen, begeleiden, dan echt leren. Immers het kind moet in deze fase nog echt zelf spelen.

Anderzijds is er sprake van een duidelijke signaleringsfunctie. Wanneer er een storing optreedt wordt dat door ouders, vooral de moeder, in feite sneller onderkend, dan door zelfs de arts. Vergelijkingen kunnen natuurlijk niet precies worden gemaakt; maar met het beeld van o.a. de motorische ontwikkeling in je achterhoofd worden blokkades en storingen vaak beter waargenomen. Zeker de ernstige achterstanden. De ontwikkelingsfases zijn de volgende:

  • Reflexfase
  • Slurffase
  • Symmetriefase
  • Lateralisatiefase

Zoals reeds opgemerkt, moet het uitgangspunt zijn, dat er situaties gecreŽerd worden, waarbinnen het kind geconfronteerd wordt met bewegingsmogelijkheden, die passen binnen de motori≠sche fase waarin het zich bevindt.
Baby's horen zo plezierig mogelijk contact te krijgen met de grond, dus leg ze veel op de grond en speel met ze op de grond. Stimuleer het rollen het gaan zitten, kruipen. Houdt de baby in het begin ver van tafel, stoeltje etc, dus van mogelijkhe≠den om zich op te trekken terwijl hij nog niet toe is aan staan.
"Oefen" de reflexen die er zijn, het sluiten en openen van de handen, het buigen van de tenen, het reageren op hoofdbewegingen, laat het kind zich aan je handen optrek≠ken, oefen de tijgersluipgang, laat hem de auto≠matische loopbewegingen oefenen.
Natuurlijk is het leuk voor een baby als hij veel kan sparte≠len en bewegen, toch is het beter hem strek- en buigbewegin≠gen met de beentjes te laten maken, wanneer je hem vast hebt, dan hem in een "bouncer" (zo'n stuitzak aan een veer) te zetten. Deze zie je veel op schepen of in huizen met een beperkte leefruimte. Het kind is nog niet in staat om zijn romp actief rechtop te houden, hangt scheef in die zak en heeft bovendien geen beeld van wat hij aan het doen is.
Hij ziet van alles in zijn omgeving, maar kan vanuit die zak niets pak≠ken of aanraken. De basale ontwikkeling van motoriek en taal lopen hier een grote achterstand op.
Het kind leert in de babytijd voorwerpen herkennen, krijgt belangstelling voor zijn handen, voeten en andere onderdelen van zijn lijf.
Probeer voortdurend te verbaliseren; hoe alles heet, welke kleur heeft het, hoe voelt het, etc.
Dit ook wanneer hij nog niet kan praten, hij leert toch de woorden herken≠nen. Stimuleer zoveel mogelijk in speelse sfeer zijn zintuigen. Eenvoudige kiekeboe-spelletjes, na-aapspelletjes, verstopspelletjes (bijvoorbeeld zijn lievelingsspeeltje onder een doekje), een rammeltje aan zijn enkeltje vastgemaakt, kan het spelen met de voetjes stimuleren.

De slurf- of asymmetrische fase.

Ook binnen deze fase moet het kind de gelegenheid krijgen bewegingsvaar≠digheden zoveel mogelijk te oefenen. Laat hem veel kruipen, zorg voor speeltjes op de grond. Als hij eenmaal loopt moet hij de ruimte krijgen om te lopen zonder dat dit gevaar oplevert. Geef het kind de kans om irrite≠rende reflexresten te onderdrukken; laat hem op blote voetjes in de zandbak spelen om de voetreflexen te leren beheersen.
Het is trouwens sowieso van belang om schoentjes in het begin zo min mogelijk aan te doen, zodat het kind tijdens het lopen werkelijk zijn voetspiertjes traint.
Stimuleer het goed rollen, kruipen, gaan zitten, gaan staan; je kunt hierbij gemakkelijk gebruik maken van het feit dat een kind na-apen een leuk spelletje vindt. Bovendien kun je van het bewegen zelf een spelletje maken.
Ook in deze fase moet je doorgaan met het verbaliseren en veel met kinderen praten, nu woorden echt goed voorzeggen en corrigeren als het kind het verkeerd uit≠spreekt. Concreet zijn met taal. De zintuigspelletjes waarmee je in de babytijd al begonnen bent, kunnen nu verder worden uitgebreid. Het verstoppertje doen is een feest, immers het kind verstopt zich door zijn handen voor zijn ogen te doen.
Verstoppen van jezelf en daarna van een bekend voorwerpje, wat gezocht moet worden, kan individueel al gespeeld worden met het kind. Het is belangrijk dat het doorzoeken gestimuleerd wordt. Het is belangrijk dat het kind veel beweegt. Het ergens op en af kunnen klimmen, kan al een hele ochtend spel opleve≠ren. Spelen met intonatie in stemgeluid, maar ook met hard en zacht kan in speelse sfeer worden geoefend.
Gedragsmatig is het kind in deze fase nog niet in staat om oorzaak en gevolg in hun samenhang te begrijpen (het kind moet eerst grijpen voordat hij kan begrijpen). Er moet ingecalculeerd worden, dat er voortdurend correctie nodig is.
Dit mag echter niet ten koste gaan van de bewegingsvrijheid van het kind. Beter is het om voorwerpen, die kapot kunnen hoog te zetten, dan het kind voortdurend te zeggen, dat het er niet aan mag komen.

De symmetriefase

Als een kind eenmaal goed loopt, zo rond een jaar of 2 - 2½, komt het in de symmetriefase. Het kan tweehandig en tweebenig gaan functioneren. Het leert met twee voeten tegelijk te springen. Belangrijk is het om situaties aan te bieden, waarin het kind met heel zijn lijf kan bewegen.

  • Op klautertoestellen klimmen en er weer af;
  • Springen, ook van verhogingen afspringen;
  • Aan toestellen zwaaien, schommelen;
  • Schommelen op een schommel;
  • Glijden;
  • Vingerverven, met twee handen tegelijk op grote vellen papier;
  • Kleien, liefst met grote brokken (echte) klei, met twee handen tegelijk;
  • Scheuren van papier liefst grote stukken

Verder het uitbouwen van kennis van het eigen lichaam, waar zit alles en wijs het aan.
Het aanleren van begrippen als op de grond zitten, liggen, op je rug, op je buik, op je knieŽn.
Maar ook weliswaar in speelse sfeer hanteren van begrippen als:

  • Aanraken;
  • Buigen;
  • Gooien;
  • Klappen;
  • Pakken;
  • Optillen;
  • Wijzen;
  • Strekken;
  • Zwaaien;
  • Knielen;
  • Springen;
  • Lopen;
  • Rennen;
  • Hurken, enz.

Deze begrippen lijken vanzelfsprekend, maar een kind leert het alleen door ze zelf te hanteren. Het kunnen hanteren van deze begrippen is een basis voor zijn ruimtelijke oriŽntatie. Wanneer een kind niet weet wat buigen en strekken is, wat open en dicht doen is, kan het nooit een bal pakken en hem op tijd los laten om te werpen. In deze fase moet natuurlijk de spraak verder ontwikkeld worden, dus geef de gelegenheid om te praten en om veel met andere kinderen te praten.
Laat het ook kennis laten maken met nieuwe woorden en begrippen in bv. de fantasiewereld, dus veel voorlezen en verhalen vertellen. Het kind oefent in deze fase zijn gezichtsmimiek en je kunt dit ook in spelletjes stimuleren; laat de kinderen gekke koppies trekken, niet alleen naar elkaar, maar ook voor de spiegel. Laat ze verschillende gezichtsuit≠drukkingen uitproberen: boos, verdrietig, blij, gek, ernstig etc.
Het kind leert in deze fase ook geluiden herkennen en interpreteren, ook hiervan kunnen spelletjes worden gemaakt. Een van de meest voor de hand liggende is de poppenkast, waarbij beeld en geluid worden gecombineerd, maar waarbij een duidelijk accent ligt op variatie in geluid en intonatie.
Maar ook in kleinere spelletjes kun je hard en zacht afwisselen en een verschillende emotionele kleur geven.
Er moet rekening worden gehouden met het feit, dat kinderen pas dingen zachtjes kunnen doen als ze het ook hard hebben gedaan. Dit geldt voor geluid, maar ook voor bewegen. Dus zachtjes praten kan pas wanneer je ook hebt mogen gillen.
Alle zintuigen moeten aan bod kunnen komen, dus tast- en voelspelletjes kunnen in deze fase worden aangereikt. Kinderen vinden dit erg leuk. Ze willen voorwerpen graag voelen, vastpakken en optillen.
Je zou een voeldoos kunnen maken, waarin allerlei voorwerpen uit de leefomgeving van het kind worden gedaan, die ze op gevoel (met twee handen in de doos, zonder te kijken) moeten kunnen benoemen. Ook zoek en verstopspelletjes kunnen al heel goed worden gespeeld en een spelletje als "ik zie, ik zie, wat jij niet ziet".

Vanuit de symmetriefase gaat een kind lateraliseren. Dit betekent dat het een voorkeurskant gaat ontwikkelen. Dit doet het zelf.
Belangrijk is het gegeven dat de duim van de voorkeurshand de functie van de andere hand gaat overnemen.
De voeldoos kan nu gebruikt worden voor ťťn hand. Je kunt nu het werken met een hand stimuleren. Je kunt de oefeningen gebruiken die het kind binnen de symmetrische fase aangeboden heeft gekregen, alleen geef je nu een extra aandachtspunt voor de voorkeurskant mee.
Ik hoop, dat ik met deze bijdrage een extra dimensie heb kunnen geven aan het omgaan met de kinderen.

Wil van Rijn